Voor mij begon het niet met blues; ik was 12 jaar en lag ’s avonds met mijn kleine transistorradiootje onder de dekens te luisteren op de middengolf naar ‘Beatleshour’ op radio Luxemburg. De Beatles vond ik geweldig, de Stones op 2 en er was een Engelse band, The Yardbirds, met als gitarist ene Eric Clapton, nooit van gehoord…. maar…toen kwam 1966. Ik speelde inmiddels basgitaar in een schoolbandje en via vrienden ontdekte ik een LP van John Mayall’s Bluesbreakers met Eric Clapton, het beroemde ‘Beano album’ (zet je die in je platenkast trouwens bij de M of de C?). Geweldig, wat een power in die muziek. Wie had die nummers allemaal geschreven? Daar moest meer van zijn. En wat een sound haalde Clapton uit zijn gitaar en hoe deed ie dat? Het bleek een Gibson Les Paul met een Marshall amp, nu bekend als de Bluesbreaker, man wat een geluid!
In de etalage van muziekwinkel Leny Bossink in Apeldoorn stond onder andere een heuse Marshall Bluesbreaker in de etalage! Je ging toen als snotaap van 14 niet zomaar naar binnen; mijn vrienden en ik stonden regelmatig met onze neus tegen de etalageruit gedrukt en te dromen. Daar bleef het bij, want ik ben nooit gitaar gaan spelen, de basgitaar bleef. Die LP heb ik grijs gedraaid tot het niet meer ging (ook de hoes is niet ongeschonden uit de strijd gekomen, zie foto). Ik was verkocht aan de blues en ontdekte daarna natuurlijk Nederlandse bands als Cuby and the Blizzards en Living Blues en al die fantastische Amerikanen, zoals BB-, Albert- en Freddie King (ik prijs me zeer gelukkig de laatste tweemaal live te hebben gezien begin jaren ’70 in het openluchttheater in Lochem en Paradiso Amsterdam), Muddy Waters, Howlin’ Wolf, Otish Rush, enzovoort; een lange lijst. Die liefde voor blues en nauw hieraan verwante muziek ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Dank aan al die helden!